Geleerden en straatnamen deel 4 – Johann Keplerstraat

0

Bron: #Dwars editie 205

Deze aflevering gaat over de geleerde 17de- en 18de-eeuwers die vernoemd zijn in Middenmeer-Noord. Van hen kwamen Galileo Galilei en het plantsoen dat zijn naam draagt al aan de orde in de vorige aflevering. Dit keer gaan we van het Galileiplantsoen de Johann Keplerstraat in.

Johann Kepler (1571-1630) en Galileo Galilei (1564-1642) waren tijdgenoten. Zij wisten van elkaars bestaan, maar hadden helaas minimaal contact ondanks Keplers inspanningen daartoe. Galilei’s naam is -naast zijn astronomische ontdekkingen met behulp van de telescoop- verbonden met de wiskundige beschrijving van valbewegingen op onze aarde, zoals de paraboolbaan van voorwerpen die gegooid of gelanceerd worden, terwijl Kepler’s beroemde derde wet de wiskundige beschrijving geeft van de ellipsvorm van de banen van de planeten in ons zonnestelsel. Hij publiceerde deze wet in het grote werk ‘Harmonice Mundi’.

Zwaartekracht
In de Keplerstraat passeren we links eerst de vrij korte Herschelstraat, waarvan de naamgever, William Herschel (1738-1822), een tot Engelsman genaturaliseerde Duitser, de ontdekker van de planeet Uranus is. Even verderop buigen we als eerbetoon aan de grote 16de-eeuwse astronoom Copernicus naar links en rechts bij het kruisen van de straat die zijn naam draagt.
Eenmaal in de Newtonstraat vraagt het genie Isaac Newton (1643-1727) de aandacht. Hij beschreef het voor ons alledaagse idee van zwaartekracht: een massa oefent over een afstand aantrekkingkracht uit op een andere massa. Hij bouwde hiermee voort op Galilei’s parabool en Kepler’s ellips in zijn boek ‘Philosophiae Naturalis Principia Mathematica’ en kwam uit op zijn drie wetten van beweging.

In de Newtonstraat iets naar rechts vinden we de Laplacestraat, die in zijn naam Pierre-Simon Laplace (1749-1827) eert, de wellicht allergrootste Franse wiskundige en astronoom, die leefde ten tijde van Napoleon. De door hem ontwikkelde analytisch wiskundige analyse van waarnemingen aan de planeetbanen leidde midden 19e eeuw, tot berekeningen die de plaats suggereerden waar zich nog een planeet zou moeten bevinden. Inderdaad werd later precies in de berekende richting een tot dan onbekende planeet gevonden en naar de zeegod Neptunus vernoemd.
De straatvernoemingen in het zojuist doorkruiste buurtje vestigen onze aandacht op alles wat deze geleerden betekend hebben voor ons beeld van ons zonnestelsel, dat nu standaard leerstof op de basisschool is.

Onbegrijpelijke omissie
Laatst vroeg mijn 9-jarige kleindochter hulp bij een huiswerkopdracht om een zin te bedenken die zou kunnen helpen de namen en de volgorde van de planeten te onthouden. We kwamen met veel plezier uit op ‘Mijn Vader Aapt Mijn Juf Susan Urenlang Na’, als ezelsbruggetje bij de rij Mercurius, Venus, Aarde, Mars, Jupiter, Saturnus, Uranus en Neptunus.
Toen zo’n kleine 90 jaar geleden de straatvernoemingen plaatsvonden is er aanvankelijk sprake geweest van een onbegrijpelijke omissie die pas 30 jaar later, na de Tweede Wereldoorlog, gelukkig recht gezet is. De briljante 17de-eeuwse wetenschapper van Hollandse komaf, Christiaan Huygens (1629-1695), die zondermeer een plaats tussen Kepler, Galilei en Newton verdient, wordt in Middenmeer-Noord gemist.

In 1934 verhuisde Ajax van het terrein tussen de Linnaeusparkweg en de Helmholzstraat, meer naar het zuiden in De Meer. Na dit vertrek was het oorspronkelijke voorterrein van dit stadion aan de Middenweg jarenlang onontwikkeld en in gebruik als speelweide. Eind jaren vijftig zijn daar flats en winkels gebouwd en kreeg Christiaan Huygens alsnog zijn vernoeming, niet al te ver van de grote namen waar hij tussen hoort. Als eerbetoon aan zijn genie is op het plein tien jaar geleden een kunstwerk geplaatst. Het bestaat uit een grote natuurstenen bol met ringen die de planeet Saturnus verbeeldt, enkele kleinere bollen als de manen eromheen en een kijkdoos. Het is een aansprekend eerbetoon aan Christiaan Huygens, die in het boekje ‘Cosmotheorum’, dat hij schreef als cadeau voor zijn jongere broer, uitlegde hoe de met een telescoop waar te nemen uitsteeksels aan Saturnus als ringen te begrijpen waren en hoe die ringen vanaf Saturnus te zien zouden zijn voor ‘Saturners’.

Op schouders van reuzen
Nicolaas Copernicus, Galileo Galilei, Johannes Kepler, Isaac Newton, William Herschel, Pierre-Simon Laplace en Christiaan Huygens waren ieder, vaak op meer dan één terrein, zo belangrijk voor de vooruitgang van de wetenschap dat hun levens en hun bijdragen daaraan vele malen beschreven zijn. Met hulp van Wikipedia is het eenvoudig over hen een enorme schat aan gegevens in te zien: Kepler en Newton stonden ieder op geheel eigen wijze onder invloed van de religie van de Reformatie; Galilei was Rooms-Katholiek en de paus bezorgde hem veel last. Huygens en Laplace waren briljante rationalisten. William Herschel begon als amateurastronoom en ontwikkelde zich in samenwerking met zijn zuster tot een extreem gedisciplineerde waarnemer en volhardende telescoopbouwer, alles ten dienste van de opstelling van zijn levenswerk: een sterrencatalogus.

Anders dan tot in de16de eeuw grepen deze geleerden niet steeds terug op oude kennis, maar bouwden zij kritisch voort op wat hun voorgangers ontdekt hadden en wat zij zelf onderzochten en waarnamen. Newtons beroemde uitspraak: ‘Als ik verder heb gezien dan anderen, komt dat omdat ik op de schouders van reuzen stond’.

Regenboog
Als helemaal aan het begin van de 17de eeuw de telescoop beschikbaar komt, raken de vragen ‘hoe komt zien tot stand?’, ‘wat is licht?’ en ‘wat is de werking van een lens?’ in een stroomversnelling. Kepler schreef rond 1600, een paar jaar voordat de telescoop uitgevonden werd, ‘astronomica pars optica’, waarin hij het oog bestudeerde en in 1605 ‘Camera Obscura’, een samenvatting van oude en eigen ideeën over licht. Nadat hij zelf in 1610 een telescoop verworven had, beschreef hij in ‘Dioptrice’ de lichtbreking zoals deze plaatsvindt in de lenzen waaruit het instrument opgebouwd is.
Newton beschreef in ‘Optics’ (1704) hoe, met behulp van een prisma, wit licht in de kleuren van de regenboog schift en hoe deze kleuren zich niet verder laten schiften, maar zich wel weer laten samenvoegen tot wit licht.
Voor de zevende groep van de basisschool gaf mijn kleinzoon kort geleden een leuke spreekbeurt over licht met een demonstratie van proeven om licht te schiften en gekleurde lichten samen te voegen waarbij de kleuren weer verdwijnen.

Ten slotte iets heel bijzonders: Christiaan Huygens bracht in zijn verhandeling over licht, ‘Traité de la Lumiére’ (1690) een golftheorie naar voren. Newton bracht daar tegenin als verklaring voor verschijnselen als spiegeling en breking van licht dat lichtdeeltjes door een botsing een richtingverandering ondergaan. Gedurende tweehonderd jaar leek Huygens steeds meer gelijk te krijgen in dit golf of deeltje dilemma over de aard van licht, totdat in de vroege 20ste eeuw het duale karakter -zowel golf als deeltje- duidelijk werd.
Er is heel veel meer over ieder van deze geleerden te vertellen dan nu past; denk bijvoorbeeld aan Huygens uitvinding van het slingeruurwerk.

Het spreekt mij aan af te sluiten met het uitspreken van de hoop dat deze straatvernoemingen een inspiratie vormen voor interessante spreekbeurten door leerlingen die zich thuis voelen in hun straat.

Share.

Leave A Reply