Geleerden en straatnamen in de Watergraafsmeer deel 3

0

Bron: #Dwars editie 204 – Tekst: Robert van Andel

De rubriek ‘Geleerden en straatnamen in de Watergraafsmeer’ zoekt verhaallijnen die al wandelend door ‘De Meer’ te ontdekken zijn in de vernoemingen in de straatnamen die zo’n 50 tot 100 jaar en soms nog langer geleden gedaan werden. Deze aflevering is de voortzetting van onze vorige wandeling door Middenmeer-Noord langs de vernoemingen van geleerden uit de oudheid tot aan de moderne tijd.

We gaven aandacht aan hun persoonlijke natuurfilosofische kijk op de door hen gekende wereld: aarde, zon, maan, planeten of ’zwerfsterren’ met op de achtergrond de schijnbaar onveranderlijke sterrenhemel.
We sloten af met: ‘tot de volgende Dwars op het Galileiplantsoen’, nadat we lopend door de Copernicusstraat ons de enorme omslag in het wereldbeeld gerealiseerd hadden die de Copernicaanse wending betekend heeft. Deze wending was niet alleen een ondergraving van het alom aangehangen wereldbeeld – met de aarde als vast centrum van alles – maar ontketende ook de wetenschappelijke revolutie, waarbij analyse van waarnemingen tot de conclusie leidde dat de aarde niets anders is dan een van de planeten die rond de zon draaien.

Omwentelingen
Toen Galileo Galilei (1564-1642) in Pisa werd geboren waren inmiddels al 20 jaar verstreken sinds Copernicus in Frauenkirch aan de Oostzee op zijn sterfbed een eerste uitgave van zijn beroemde boek ‘De revolutionibus orbium coelestium’ (over de omwentelingen van de hemellichamen) in handen kreeg, nadat hij eerder de publicatie daarvan vele jaren tegen had gehouden. De omslag in het gangbare wereldbeeld die de Copernicaanse wending betekende, had zich tijdens Galilei’s leven nog allerminst voltrokken. Dit gold zeer zeker voor het kerkelijk gezag van Rome maar aanvankelijk ook voor de hervormers van de Reformatie; zelfs aan de universiteiten was het oude wereldbeeld destijds vaak nog de norm. De enkelingen die de omslag wel gemaakt hadden, benoemden uit veiligheidoverweging hun ideeën over de aarde als planeet in het zonnestelsel slechts een denkmodel. Ze lieten zo het oude wereldbeeld voor de buitenwereld min of meer intact.

Toren van Pisa
En nu de afgesproken wandeling. De fraaie aanleg van het Galileiplantsoen geeft ons alle tijd om aandacht te geven aan Galilei en zijn talent voor wis-, natuur- en sterrenkunde. Reeds op 25-jarige leeftijd was hij hoogleraar in zijn geboortestad Pisa, en later in Padua. Als 26-jarige schreef hij zijn eerste boek ‘De Motu’ (over beweging). Galilei was een echte vernieuwer, een vroege, moderne natuurkundige die proefopstellingen bedenkt om zijn natuurkundige ideeën te testen. Het historisch onbevestigde verhaal over een valproef bij de toren van Pisa die een gelijke valsnelheid en valversnelling vindt van twee voorwerpen met verschillende massa, demonstreert deze instelling. Het is leuk al wandelend het punt te passeren waar het Galileiplantsoen raakt aan de Archimedesweg en hier te memoreren dat Galilei in zijn geschriften opnam dat Archimedes, die 1500 jaar eerder leefde, een groot voorbeeld voor hem geweest is.

Niet aan de orde
Galilei zette zich enorm in om voor zijn proeven geschikte instrumenten te ontwerpen en in eigen beheer te maken. Dit is van groot belang geweest voor zijn bijdrage aan de sterrenkunde. Sterrenkunde was uiteraard in Galilei’s tijd vooral gericht op de met het blote oog waarneembare, bewegende hemellichamen: de zon, de maan en de zwerfsterren Mercurius, Venus, Mars, Jupiter en Saturnus. Als wij nu – in een terzijde – even stilstaan bij het feit dat ook wij bij heldere hemel dezelfde waarnemingen met ons blote oog kunnen doen als die waarvoor Galilei en al zijn voorgangers sterrenkundigen een fascinatie hadden, is het onbegrijpelijk dat in de opvoeding en het onderwijs in Nederland planeten zelf waarnemen meestal helemaal niet aan de orde komt. Hier stellen wij ons voor hoe Galilei’s nieuwsgierigheid werd geprikkeld toen hem informatie bereikte over ‘een instrument dat het mogelijk maakt om voorwerpen die zich verder weg bevinden te zien alsof zij dichterbij zijn’. Wellicht heeft hij zo’n instrument, dat bestond uit een buisje met vooraan een kleine holle lens en achteraan een kleine bolle lens, in handen gekregen en ervaren dat hiermee een vergroting van 3 á 4 maal bereikt werd.

Magisch instrument
In 1608 was in de opstandige Nederlanden bij legeraanvoerder Prins Maurits van Nassau zo’n magisch instrument gedemonstreerd en even later werden bij de Staten Generaal patentaanvragen ingediend, eerst door brillenglazenslijper Hans Lipperhey uit Middelburg en twee weken later door een collega brillenglazenslijper, Jacob Metius uit Alkmaar. Allebei zijn zij vernoemd in straatnamen; de eerste natuurlijk in Middelburg en de tweede uiteraard in Alkmaar. Ook in Amsterdam, net als in Utrecht en Den Haag, heeft de uitvinding van de telescoop tot straatvernoemingen geleid. Daar koos men echter voor het vernoemen van een derde brillenglazenslijper: Zacharias Janssen. Zacharias Janssen was buurman en vakgenoot/concurrent van Lipperhey in Middelburg. Hij wordt daar ook met een straat vernoemd. Dat Zacharias Janssen – afgezien van het langlopende onoplosbare dispuut over de uitvinding van de telescoop – ook genoemd wordt als uitvinder van de microscoop mag niet onvermeld blijven.

Janssen en Janse
In onze wandeling kunnen we een bezoek opnemen aan de Zacharias Jansestraat – in Amsterdamse spelling Janse met één s en zonder n. Daartoe maken we een ommetje door park Frankendaal naar de winkels aan de kop van de Middenweg. Het roept een glimlach op te zien dat hier enkele opticiens elkaar beconcurreren, maar we bedenken ook dat in de 17de eeuw lenzenslijpen een activiteit was waarmee ook een intellectueel als Baruch Spinoza en een vertegenwoordiger van de absolute elite als Christiaan Huygens zich mee inliet. De Zacharias Jansestraat is hier een zijstraat van de Middenweg, in een buurt met meer interessante vernoemingen die een andere keer aan de orde komen. We keren nu terug naar het Galileiplantsoen.

Galilei toonde zich meteen een absolute meester-telescoopbouwer. Met tussenpozen van slechts enkele maanden bouwde hij steeds betere versies. In oktober 1609 beschikte hij over een exemplaar dat een 10-voudige vergroting gaf. Hiermee lukte het hem zijn blik te richten op ieder van de bewegende hemellichamen. Zijn waarnemingen waren absoluut verbluffend: de maan bleek een oppervlak te hebben met bergen en dalen, dus een aards aspect te hebben. Venus bleek soms sikkelvormig, soms half en soms vol te stralen en dus vanaf de aarde zogenaamde schijngestalten te tonen, net als de maan die heeft, al naar gelang de zichtbaarheid vanaf de aarde van de zonbeschenen zijde. Rond Jupiter nam Galilei vier manen waar en ten slotte waren er bij Saturnus vreemde vormsels te zien.

De druppel
Deze bevindingen maakten onomstotelijk duidelijk dat het oude, aan Aristoteles ontleende wereldbeeld, met een vaste aarde in het centrum en een onderscheid in de structuur van het ondermaanse ten opzichte van die van het bovenmaanse, onhoudbaar was.

In 1610 beschrijft Galilei zijn bevindingen in zijn boek ‘Siderius Nunctius’ (de sterrenbode). In de volgende 32 jaar van Galilei’s leven publiceert hij een aantal boeken. Gaandeweg ontspoort dan de relatie tussen hem en het pauselijk gezag, hoewel men elkaar goed kent. Uiteindelijk wordt het gesprek met hem gesmoord in repressie: veroordeling, censuur en huisarrest. Zijn boek ‘Dialogo’ van 1632, in de vorm van een tweegesprek over wereldbeelden waarin hij de figuur Simplicio opvoert als aanhanger van het oude wereldbeeld, is de druppel die tot zijn veroordeling leidt. Pas eind 20ste eeuw word deze herzien.

Deel 1 – Linnaeus
Deel 2 – Pythagoras & Archimedes
Deel 3 – Galilei & Zacharias Janse

Share.

Leave A Reply