Jack Reynolds… de architect van de Ajaxschool

0

Bron: Het Parool
Door: Frans van den Nieuwenhof

Van links naar rechts: Wim Anderiesen, Jan de Boer, Jan van Diepenbeek, Dolf Desmit (clubbladredacteur), Piet Strijbosch, Piet van Deijck, Dolf van Kol, Jack Reynolds (trainer). Gehurkt: Wim Volkers, Cor Jurriaans, Piet van Reenen, Jan Schubert, Henk Mulders.

Rinus Michels, Johan Cruijff en Louis van Gaal werden als trainer gezamenlijk 7 keer landskampioen met Ajax. Jack Reynolds behaalde in zijn eentje 8 titels, de eerste honderd jaar geleden, op 9 juni 1918. De Engelsman was ‘de voetbalmessias van de Watergraafsmeer’.

Reynolds had zijn eigen visie. ‘Negentig procent van de doelpunten is van vleugelspel afkomstig’

Tastbare herinneringen aan Jack Reynolds zijn er nauwelijks meer. Vroeger, in stadion De Meer, had je aan de lange zijde de Reynolds-¬tribune en ergens in de Arena moet nog een plaquette liggen met zijn borstbeeld. Een prominente plek heeft Reynolds niet gekregen in het huis van Ajax. Alleen verstokte clubmensen hebben het nog weleens over Sjek Rijnols.

Na zijn dood in 1962 lag Reynolds meer dan veertig jaar op de Nieuwe Ooster Begraafplaats in de Watergraafsmeer. Bezoekers van het graf konden uitkijken over de Middenweg en zagen er uiteindelijk de nieuwbouw verrijzen op de plek waar Reynolds bijna vijftig jaar kind aan huis was. Daar lagen ooit de voetbalvelden van Ajax. Maar niet lang na stadion De Meer verdween ook de grafsteen van Reynolds. Zijn stiefkinderen wilden de rechten niet langer betalen.

Doesjka Landsdaal heeft dat altijd spijtig gevonden. Behalve de herinneringen aan haar jeugd koestert zij de familiealbums met foto’s van soms wel honderd jaar geleden. Haar privécollectie zou eigenlijk tot het voetbalerfgoed van Nederland moeten behoren; het zijn prachtige beelden, gedoopt in tinten van lichtbruin en sepia, de kleuren van de jonge jaren van Jack Reynolds. “Mijn opa.”

Onverwoestbaar accent
Ze vertelt hoezeer ‘opa Jack’ vergroeid raakte met Ajax en Amsterdam. “Als Ajax eens een keer verloren had, was hij niet te genieten. Oma legde dan bezwerend een vinger op haar mond. ‘Sssstt,’ zei ze, ‘Ajax verloren.’ Dan wisten wij dat we opa niet moesten storen.”

“Hij was totaal vernederlandst, alleen zijn accent behield hij. Opa zei altijd kaboeter in plaats van kabouter. Dan werd ik witheet. Ik wilde dat mijn kabouter een kabouter was.” Hun contact is altijd liefdevol en vriendschappelijk geweest. “Wij tutoyeerden onze ouders en grootouders. Dat was in de jaren vijftig niet alledaags.”

In zijn eigen land geniet Reynolds amper bekendheid. Trainer was hij er nooit en als voetballer behoorde hij tot de middelmaat. Reynolds groeit op in Pilkington (bij Manchester) en krijgt bij zijn geboorte op 23 september 1881 dezelfde naam mee als zijn vader John Reynold. Om verwarring te voorkomen, noemt iedereen hem Jack. De s achter zijn familienaam wordt er later in Amsterdam bij verzonnen. Reynolds laat het maar zo.

Op zijn negentiende wordt Reynolds leerling-prof bij Manchester City, waar ook zijn twee jaar oudere broer Bill speelt. Geen van hen is goed genoeg voor het eerste elftal, waarna Jack zijn voetballoopbaan voornamelijk in de tweede divisie slijt.

Reynolds bij een kampioenschap van Ajax, waarschijnlijk tijdens de gouden periode in de jaren dertig

In 1912 emigreren de twee broers. Bill wordt trainer van AFC in Amsterdam, Jack van Sankt-Gallen in Zwitserland. Daar maakt hij zoveel indruk, dat de Duitse voetbalbond hem contracteert als coach tijdens de Olympische Spelen van 1916, die in Berlijn zullen worden gehouden. Vanwege de impact van de Grote Oorlog (1914-1918) gaan de Spelen niet door en zo krijgt Reynolds de kans om bij Ajax aan de slag te gaan. Op 23 augustus 1915 maakt De Telegraaf het nieuws van diens komst wereldkundig. ‘Hij geniet een zeer goede reputatie,’ weet de krant.

Daarmee begint voor Ajax een nieuwe episode, waarin Reynolds ruim dertig jaar het gezicht van de club bepaalt. Onder zijn leiding groeit Ajax uit tot een machtig voetbalinstituut, dat niet alleen borg staat voor successen, maar ook voor aantrekkelijk spel en de ontwikkeling van jonge talenten. Reynolds wordt – daarover is iedereen binnen en buiten Amsterdam het eens – de onbetwiste architect van de Ajaxschool. Zijn invloed vertaalt zich niet alleen in acht landstitels. Hij is de voetbalmessias van de Watergraafsmeer, de man die Rinus Michels wegwijs maakte in het voetbal. Daarna kwamen Johan Cruijff, Louis van Gaal en zoveel anderen. Allemaal zijn ze schatplichtig aan die robuuste Brit.

Als Reynolds bij Ajax binnenkomt, kan hij op nul beginnen. De club is een jaar eerder gedegradeerd naar de tweede klasse, maar binnen een mum van tijd transformeert de eenvoudige volksclub tot de onbetwiste kampioen van Nederland. Op 6 juni 1917 trekt een fanfarekorps door de straten van de Watergraafsmeer om de promotie van Ajax te vieren. Die prestatie verleidt het bestuur ertoe landskampioen Go Ahead uit te dagen voor twee officieuze ‘kampioenswedstrijden’. Deze eindigen met 2-1 en 1-1 in Amsterdams voordeel.

Nederlands elftal
In de twee seizoenen die volgen, is de supre¬matie van Ajax boven elke twijfel verheven. Op 9 juni 1918 behaalt de club zijn eerste landstitel door het roemruchte Willem II in Tilburg met 0-3 te verslaan. Reynolds bestempelt Ajax als ‘het beste amateurelftal buiten Engeland’ – van Europa dus.

De club maakt een stormachtige ontwikkeling door. Elke thuiswedstrijd levert zo’n vijfduizend gulden aan recettes op. Ajax heeft meer dan twaalfhonderd leden en beschikt over zestien elftallen, waardoor de continuïteit gegarandeerd is. In 1919 wordt Ajax opnieuw kampioen, nu zonder een wedstrijd te verliezen. Dat leidt tot een groot feest op het Damrak, waar Bengaals vuur wordt ontstoken. De spelers maken een bustoer door de stad. Er ontstaat ‘een vreselijk gedrang’, weten de kranten. Iedereen wil deze voetbalsterren nu aanschouwen. Ajax is de club van heel Amsterdam, van heel Nederland geworden.

De faam van Reynolds is onbetwist. Hij krijgt in mei 1919 het aanbod het Nederlands elftal te gaan trainen. De nationale ploeg zal voor het eerst sinds vijf jaar weer een wedstrijd spelen, tegen Zweden, maar de manier waarop de Nederlands Elftal Commissie (die louter bestaat uit bestuurders) het team heeft samengesteld, zint Reynolds niet. Fijntjes merkt hij op dat ‘van de ploeg die zich aan mijn systeem van training heeft willen onderwerpen slechts vier spelers zijn gekozen. Zet u in de krant dat ik rechtstreeks noch zijdelings iets te maken heb gehad met de samenstelling van het elftal’.

Het interview komt knalhard aan bij de voetbalbond. De elftalcommissie besluit voor de volgende interland ook Theo Brokmann en Wim Gupffert uit de opstelling te schrappen, en omdat Jan de Natris vanwege een zoveelste ruzie evenmin welkom is, wordt ‘de beste ploeg van Nederland’ alleen nog vertegenwoordigd door middenvelder Henk Hordijk. Dat is Reynolds te gortig. Hij voelt zich gepiepeld en trekt zich na één wedstrijd alweer terug.

Jack Reynolds in Sankt Gallen, waar hij een tijdje trainer is geweest © Privécollectie Jack Reynol

Aan de breuk tussen Reynolds en de NVB ligt een fundamenteel verschil van (voetbal)inzicht ten grondslag. Reynolds is een liefhebber en voorstander van kort spel (short passing), terwijl de bond juist ‘open spel’ propageert. De coach van Ajax zorgt daarmee voor een ommekeer in de Nederlandse voetbalcultuur. Zijn andere kijk op voetbal vergt een ander type speler. In de visie van Reynolds staat het middenveld centraal. Alleen als de afstanden tussen de linies kort zijn, kan er snel en gemakkelijk worden gecombineerd.

Dit is het ware Ajaxspel. Voetballers zijn geen lopers, maar pionnen in een schaakspel. Reynolds zweert bij echte vleugelspelers. Want: “Negentig procent van de doelpunten is van vleugelspel afkomstig.” Daar zijn mannen nodig met de techniek en bravoure om een verdediger uit te spelen. Om die reden pikt hij de lastige Jan de Natris bij Ajax op uit een lager elftal en zet hij hem in het eerste. Reynolds slaagt er steeds in jonge voetballers beter te maken. Onder hem ontwikkelt de eenvoudige bouwvakker Henk Hordijk zich tot international. Jan de Boer was aanvankelijk een speler in het vijfde en derde, maar Reynolds ziet een keeper in hem en De Boer haalt het Nederlands elftal. Dolf van Kol is, veel later, een wat gemankeerde buitenspeler die als back een openbaring blijkt.

Het is alsof Cruijff het hem heeft voorgezegd.

Meer en meer geldt Reynolds als een goeroe van het Nederlandse voetbal. In de discussie over de introductie van profvoetbal speelt hij een voorname rol. Zakenlui uit de hoofdstad zijn daarvan in 1921 de aanjagers en willen hem vastleggen als de toekomstige trainer van een Amsterdamse profclub.

Column in De Telegraaf
Reynolds krijgt een eigen rubriek in De Telegraaf met de titel Trainingswenken en waarschuwt voor een crisis in het Nederlandse voetbal. Ook als columnist is hij een verre voorloper van Cruijff. Reynolds vindt dat spelers hun sport niet ernstig genoeg opvatten. ‘De vraag is niet: zullen we winnen? De vraag is: zullen we plezier hebben? Ze houden niet van trainen,’ luidt zijn oordeel.

Het spel vergt niet alleen trouwe oefening, maar ook een sobere en doelmatige levenswijze. Een getrainde speler die ‘niet alleen met zijn benen speelt, maar tevens zijn hersenen gebruikt, schopt het verder dan een speler die alleen maar hard werkt. Het spel vergt de gehele man’, verklaart Reynolds. Louis van Gaal zou zeggen ‘de totale mens’.

In het voorjaar van 1925 ontstaan er problemen tussen Reynolds en het bestuur van Ajax. Na vier seizoenen zonder afdelingstitel krijgt de trainer ontslag en stapt hij over naar de grote rivaal Blauw-Wit. Daar slaagt Reynolds er niet in zijn stempel te drukken zoals hij dat bij Ajax deed. De cultuurverschillen tussen beide clubs zijn te groot: Blauw-Wit is nu eenmaal niet gecharmeerd van short passing en het lukt Reynolds ook niet om dat erin te krijgen. Op aandrang van de spelers keert hij in 1928 terug bij Ajax.

Behalve een uitstekende trainer is Reynolds een geliefde opleider. Hij neemt aan het begin van de jaren dertig alle vijf de jeugdteams van Ajax onder zijn hoede en stelt tevreden vast dat ook het tweede, het vierde en het vijfde elftal van de club kampioen zijn geworden. Over het hoogste juniorenteam wordt geschreven dat het ‘zo aantrekkelijk en geacheveerd spel speelt als men in ons land slechts sporadisch te zien krijgt’.

Op 17 maart 1932 trouwde hij met Heintje (‘Jet’) Elze © Privécollectie Jack Reynolds

Langzaam bouwt Reynolds aan een nieuw topteam, dat tot de beste uit de geschiedenis van de club mag worden gerekend. De jaren dertig vormen de gouden eeuw van Ajax. In dat decennium wordt de club vijf keer landskam¬pioen (1931, 1932, 1934, 1937 en 1939), acht keer afdelingskampioen (eveneens in 1930, 1935 en 1936) en twee keer tweede (in 1933 achter Stormvogels en in 1938 achter DWS). Historisch is de overwinning die Ajax op 11 januari 1931 boekt tegen VUC uit Den Haag. Het wordt die dag 17-0, een nooit gebroken record in de hoogste klasse van het Nederlandse voetbal.

De Revue der Sporten omschrijft Reynolds als een ‘professor’ en als ‘de koning van de in Nederland werkende trainers.’ Volgens het blad is Reynolds niet alleen een voortreffelijke coach, maar ook ‘een uitstekende voetbalpedagoog’ en ‘een vriend van de spelers’. Nieuws van de Dag is het meest lovend: ‘Reynolds is het die Ajax het technisch fijne spel heeft geleerd, dat de trots is van de club en dat haar in het hele land en ver daarbuiten een zekere vermaardheid heeft gegeven.’

Ajax spant zich maximaal in om het Reynolds naar de zin te maken. De opbrengsten van een benefietwedstrijd tegen Wiener Sport Club (in 1931) gaan volledig naar de trainer en die lopen volgens de Revue der Sporten op tot ‘enige duizenden guldentjes’. Reynolds kan zich bij Ajax het een en ander permitteren. In de zomer van 1934 mist hij de beslissingswedstrijden om het Nederlands kampioenschap tegen Willem II en KFC. De reden die Reynolds opgeeft: zijn vakantie in Engeland.

Reynolds is nogal een feestnummer. Als er bij Ajax iets te vieren is, loopt hij vooraan. Hij speelt graag piano, lust een borreltje en heeft geen hekel aan meisjes. Het grootste gedeelte van zijn leven is Reynolds vrijgezel. Pas op zijn 38ste leert hij Heintje (‘Jet’) Elze kennen, de vrouw met wie hij ruim twaalf jaar later gaat trouwen.

Jet is een dame van keurige komaf. Ze woont in Wormerveer, waar ze met twee jonge kinderen (een jongen van vijf en een meisje van drie) een prachtig herenhuis bezit. Nadat haar eerste man is overleden aan een leverkwaal, blijkt de woning geen kapitale erfenis te vertegenwoordigen, maar een enorme schuldenlast. Na de verhuizing naar Amsterdam leert ze een nieuwe man kennen, die al snel sterft aan een longontsteking. Deze man is een vriend van Jack Reynolds, met wie Jet in 1932 zal trouwen.

Gevangen door de Duitsers
Reynolds is net eigenaar geworden van sigarenzaak De Amstelstroom aan de Vrijheidslaan (op dat moment nog Stalinlaan) en een goede propagandist van zijn eigen winkel. Veel Ajaxsupporters komen bij hem een rokertje kopen en Ome Jack handelt ook in kaartjes voor de thuiswedstrijden. Op de bovenverdieping van zijn woning heeft hij bovendien een kamertje vol met schoenendozen. Daar zitten echte Engelse kiksen (Manfields) in, die hij verkoopt aan de spelers van Ajax.

Op 17 augustus 1940 komt aan dat mooie verhaal een abrupt einde. Waar De Telegraaf slechts meldt dat ‘men hem voorlopig zal moeten missen’, blijkt al snel dat de trainer door de Duitse bezetter is gevangengezet in een interneringskamp in Schoorl. Of zoals Ajax het verwoordt in zijn gouden jubileumboek uit 1950: ‘Reynolds is door de moffen opgeborgen, hetgeen de moeilijkheden in onze club nog vergrootte.’

Voor zijn tachtigste verjaardag krijgt hij – hier achter de piano – een groot feest in het clubhuis van Ajax. De cadeaus: een televisie en veel sigaren © Privécollectie Jack Reynolds

De geliefde trainer zal vijf lange jaren moeten worden gemist. Hij belandt in een kamp in Toszek, een klein dorpje in het zuiden van Polen. Ook de beroemde schrijver Pelham G. Wodehouse bevindt zich onder de gedetineerden. Die vertelt na de oorlog over de erbarmelijke omstandigheden in Toszek, maar uit Reynolds’ mond worden geen getuigenissen opgetekend. Wel weet de familie dat Tante Jet in Amsterdam een onderduikster in huis heeft. Dit meisje, een zekere Puck, is de enige van haar familie die de oorlog overleeft. Kort na de bevrijding pleegt ze zelfmoord.

In 1944 keert Reynolds na een gevangenenruil met de Duitsers onverwachts terug naar zijn broer Bill in Manchester. Het duurt dan nog ruim een jaar voor hij in Amsterdam wordt herenigd met zijn gezin. Op 24 oktober 1945 maakt Reynolds de overtocht van Harwich naar Rotterdam. Vier dagen later verricht Reynolds de aftrap bij Ajax-EVV Eindhoven, waarna hij ook weer snel zijn werkzaamheden als trainer hervat.

Op de laatste speeldag van het seizoen 1945/’46 speelt Ajax om de afdelingstitel tegen ADO. Vanwege wat blessuregevallen besluit Reynolds om de midvoor van de junioren mee te nemen naar Den Haag. Ajax wint met 3-8 en de jonge debutant Rinus Michels scoort die dag vijf keer. Andere opvallende spelers in de ploeg zijn Cor van der Hart en Jany van der Veen, de latere jeugdtrainer aan wie Cruijff naar eigen zeggen zoveel te danken had. Ze zijn allemaal gekneed door de handen van Reynolds.

Na zijn achtste landstitel neemt Reynolds in 1947 afscheid van Ajax. Hij is inmiddels 66 jaar en besluit met pensioen te gaan. Tot aan zijn dood voorziet Ajax deels in het levensonderhoud van Reynolds, die het liefst elke dag nog even naar De Meer fietst.

Lange begrafenisstoet
Reynolds wordt benoemd tot buitengewoon erelid en rond zijn tachtigste verjaardag biedt Ajax hem een groot feest aan, waar de aimabele Brit een televisietoestel ontvangt. Op televisie brengt Mies Bouwman een hommage aan Reynolds door hem in haar programma te ontvangen.

Kort daarna begint Reynolds te sukkelen met zijn gezondheid. Hij krijgt een lichte beroerte, waarvan hij niet meer volledig herstelt. Op 8 november 1962 begeeft zijn hart het. Vier dagen later trekt een lange begrafenisstoet rond stadion De Meer, waar in 1965 de zittribune aan de lange zijde naar Reynolds wordt vernoemd.

Tot haar verdriet moet Doesjka Landsdaal de uitvaart van opa missen. “Mijn moeder vond het beter dat mijn broertje en ik daar niet bij waren.” Opa’s laatste rustplaats kan ze ook niet meer bezoeken sinds zijn grafsteen werd verwijderd. Wat rest aan troost zijn de dichtregels van Jan Boerstoel, die op de homepage van de Nieuwe Ooster te lezen zijn:
Soms ritstelt nog het gras zowat vergeten namen
Voor wie ze horen wil, al zeggen zij niet meer
Wat zij ooit zeiden, maar wat ons een oogwenk weer
Beseffen doet waarom wij als tevoren kwamen
Naar deze tuin die aan herdenken is gewijd:
Het even stilstaan bij het doorgaan van de tijd

Share.

Leave A Reply