Philips in Amsterdam: vrij­buiters aan de Ringdijk

0

Bron: Het Parool – Koen Kleijn

Trots maakte Philips in 1949 bekend dat in Amsterdam ‘een ‘synchrocyclotron’ in bedrijf was genomen: een imposante atoommachine voor onderzoek. Rond de deeltjesversneller ontstond een bonte bedoening aan grote en kleine gebouwen.

Foto: Science Photo Library – Het cyclotron in Californië in 1939.

In de jaren dertig van de vorige eeuw werd aan de Universiteit van Californië in Berkeley door de Amerikaanse fysici Ernest ­Lawrence en Milton Stanley ­Livingston het cyclotron bedacht: een trommelvormig apparaat waarmee deeltjes kunnen worden versneld. In het Natuurkundig Laboratorium (NatLab) van Philips, in Eindhoven, ontwikkelden de scheikundige Adriaan Aten en de atoomfysici Frans Heyn en Cornelis Bakker in de oorlogsjaren ook zo’n deeltjesversneller, zonder dat de Duitse bezetter daarvan afwist. Concrete plannen om een cyclotron te bouwen kregen na de bevrijding gestalte door de oprichting van het Instituut voor Kernfysisch Onderzoek (IKO) in 1946 door Philips, de Stichting Fundamenteel Onderzoek der Materie (FOM) en de gemeente Amsterdam. Het IKO werd gehuisvest in de voormalige Watergraafsmeersche Gasfabriek aan de Oosterringdijk.

Een groep van tien à twintig onderzoekers van het NatLab vertrok naar Amsterdam. Bakker was in 1946 benoemd tot hoogleraar experimentele fysica aan de Universiteit van Amsterdam; vier jaar later volgde Aten hem in de ‘analytische chemie met behulp van radioactieve stoffen’. De macht van het kleine, was de titel van zijn oratie. Ook Heyn was sinds 1948 hoogleraar, maar aan de Technische Hogeschool Delft.

Het Amsterdamse cyclotron was een imposante machine van 180.000 kilo. Tussen twee enorme magneetspoelen, omgeven door een wirwar van leidingen en elektronica, lag een platte trommel. In die trommel werden protonen door het magneetveld gedwongen in een cirkelvormige baan rond te vliegen. Viermaal per rondje kregen ze een elektrische zetje in de rug van 50.000 volt en zo bereikten ze ongeveer een derde van de lichtsnelheid. Uit de trommel staken naar vier kanten metalen bundelpijpen, waardoor de versnelde protonen naar aangrenzende bunkers schoten. Daar werden ze in ­xenon (een gas) geleid om jodium te maken, of rubidium-81 voor de productie van krypton-81, bestemd voor diagnoses van longembolie.

Grassprietje
De ingebruikname van het synchrocyclotron op 10 november 1949 was voorpaginanieuws. De Waarheid kopte: ‘Atoombombardementen in de Watergraafsmeer.’ (Zie onderaan dit artikel). Eind november mocht de pers langskomen. ‘Stelt u zich geen imposante gebouwen, monsters van staal en beton, driedubbele versperringen van geëlectrificeerd draad en gewapende schildwachten daarbij voor. Want de atoomcentrale van Nederland ligt practisch in de stad Amsterdam, heel gemoedelijk bij de Valentijnkade en de tuinvereniging Molukken.’ Veiligheid was een belangrijke kwestie. De ‘atoomsplitsingscentrale’ was van de rest van het gebouw afgeschermd door een anderhalve meter dikke, holle muur, gevuld met water, ter bescherming van de medewerkers en de buitenwereld.

Foto: Het Parool – Atoomfysici Frans Heyn (rechts) en Cornelis Bakker bij de deeltjesversneller.

Aten demonstreerde de werking van de geigerteller met een grassprietje gedompeld in een vloeistof met wat radioactieve fosfor. Het cyclotron was niet in bedrijf, maar de magneet wel. ‘Reeds had men ons tevoren aangeraden onze horloges af te leggen. Wanneer men een sleutelbos op dertig centimeter afstand hield van de cyclotrondoos, dan werd deze met kracht aangetrokken,’ aldus De Waarheid. Ondertussen ratelde de geigerteller. ‘Wij stonden bloot aan een bombardement van neutronen en gammastralen.’ Opgelucht meldden de verslaggevers ‘dat men in het vredige Watergraafsmeer geen atoombommen gaat maken.’

Het werk in de Watergraafsmeer had ‘iets vrijbuiterigs’, memoreerden drie IKO-medewerkers Nico Hazewindus, Jeroen Oost en Yde Tamminga later. Rond de oude gasfabriek was een bonte verzameling grotere en kleinere gebouwen ontstaan, waar nieuwkomers niet makkelijk de weg konden vinden, maar waar het ook geen probleem was als er ergens een gat moest worden geboord of een muurtje verplaatst. De Amsterdamse Philipsvestiging was niet gebonden aan de stijve procedures van het moeder­bedrijf in Brabant. ’s Avonds doorwerken en het initiatief nemen waren in Amsterdam geen probleem. Zo kreeg een smid uit de Dapperstraat opdracht een ijzeren afschermkooi te maken. Hij wilde handje contantje, wat volgens de Philipsprocedures absoluut niet kon. De Amsterdammers betaalden hem uit hun ‘wel-en-wee-potje’.

Industriebelangen
Philips bouwde in samenwerking met het onderzoekslaboratorium in Amsterdam meerdere synchrocyclotrons. Bijvoorbeeld een voor de Nobelprijswinnaar Irène Joliot-Curie, de dochter van het legendarische echtpaar Pierre en Marie Curie. Zij bezocht Eindhoven om de details te bespreken, maar overleed kort daarna, in maart 1956.

In 1975 richtten de FOM, het IKO en drie universiteiten (UvA, VU en de Katholieke Universiteit Nijmegen) het Nationaal Instituut voor Kernfysica en Hoge-Energiefysica (NIKHEF) op. De activiteiten van het IKO (en ook het Nederlandse werk voor het Europese CERN) ­werden erin ondergebracht. Philips zag in het NIKHEF geen industriebelangen, sloot in 1978 het synchrocyclotron en beëindigde twee jaar later de samenwerking met het IKO.

Gloeilamp
Na de sluiting van het synchrocyclotron keerde Philips in 1997 terug in Amsterdam. Niet met een laboratorium, maar met het hoofdkantoor. Eindhoven was in rep en roer, maar in zekere zin was het een soort thuiskomst. De oorsprong van Philips ligt in Amster­dam. Lang geleden was op Herengracht 220 door de scheikundig technoloog Jan Jacob Reesse en zijn vriend Gerard Philips een eigen methode ontwikkeld voor de vervaardiging van gloeilampen. Reesse stapte uit de samenwerking; Philips begon in 1891 aan de Emmalaan in Eindhoven met zijn vader, de firma Philips & Co, in ‘kooldraadgloeilampen en andere elektro-technische artikelen’.

Bron: Delpher.nl

Share.

Leave A Reply